Occupy Nijmegen: Een introspectie.

geplaatst in: Overig nieuws | 0

Het was 25 december 2011 en ik ontwaakte in mijn koepeltent in bruikleen. Precies twee maanden en zeven dagen lang had ik, op één nacht na, iedere nacht geslapen op het Nijmeegse Valkhof. Dit vanwege Occupy Nijmegen. Inmiddels behendig geworden in het aankleden in een slaapzak onder drie dekens, schoot mijn ik van stof zich in de lappen, ritste de tent open en stak gehaast, met druk op de blaas, op sloffen de weg over richting toiletten in de parkeergarage van het Kelfkensbos.

Wat later stapte ik de van De Markies geleende circustent binnen, die dankzij zijn kleuren de bijnaam ‘De Smurf’ had gekregen, maar ook wel ‘de O-tent’ werd genoemd. Het zag er verwilderd uit. Een gezamenlijke ruimte zo achterlaten, dat de volgende mensen in een schone en opgeruimde omgeving binnen zouden komen, was van aanvang af al niet ons sterkste punt, een enkeling daargelaten. Die kille kerst-ochtend prikte het beeld alleen nóg heviger in mijn ogen. Misschien wel omdat ze er bijna letterlijk de metafoor van doorheen- en in-zagen: Hoe lieten wij onze aarde achter voor de volgende ‘bezoekers’, de volgende generatie? Zagen wij het belang van ons eigen handelen in, tot de kleinste daden en nalatigheden aan toe? En àls we dit zagen, waren we dan bereid onszelf in de ogen te kijken, onze eigen rechter te zijn, en niet alleen en pas bij ons levens-eind?
Hendrick (de Geluckighe), bijnaam van Henk omdat er drie Henken mee-occupieden, was die dag jarig. Terwijl ik mokkend plaats aan het maken was op de keukentafels en zocht naar schoon bestek en servies, flapte de tentdeur open en stapte het kerstkind binnen. In plaats van met een ‘In excelsis Deo’ zong ik het toe met ‘In de gloria’ en sloot af met ‘Hiep hiep hoera!’.
Hendrick nam het bescheiden, bijna nederig in ontvangst.
“Ik vrees alleen dat ik niet zo’n leuk verjaardagscadeau voor je heb,” wees ik naar de rugzak en boodschappentassen, die ik tussen ochtendtoilet en ontbijt ingepakt had en die nu  op en voor een paar stoelen stonden.
Henk was dichtbij de ‘keuken’ gaan zitten en keek naar mijn bagage.
“Dat vermoeden had ik al,” zei hij.
Verder bleef het vrijwel stil terwijl ik mijn boterhammen sneed en smeerde en voor ons allebei chocolademelk inschonk.
In die luttele weken hadden Hendrick en ik bij elkaar vaak aan een half woord al voldoende. Zo blikten hij en ik terug in een verbaal vrij stil gesprek, waarin we veel verstandhoudingen vonden en zelfs vanuit onze verschillende standpunten toch elkaars hand konden bereiken; omdat we die de ander toereikten.
Zoals Occupy Nijmegen voor ons niet pas was begonnen op 17 oktober 2011, zo zou het voor mij ook niet eindigen op deze eerste kerstdag. Vanaf 17 september verspreidde vanuit het bezette Wall Street in New York de Occupy-beweging zich over de gehele wereld, met op het hoogtepunt meer dan zes miljoen tenten in óver de vijfduizend dorpen en steden. Regelmatig was er op het Valkhof een voelbare verbondenheid met al die andere plaatsen. Het besef, misschien wel de ervaring dat zo vele mensen op dat zelfde ogenblik wel eens hetzelfde zouden kunnen denken en voelen. Hoe heerlijk om uit deze cumulatieve energie te mogen putten en er zelf aan bij te dragen; bloemen en gras overwoekerden wereldwijd het asfalt en beton, alsof die soms zo genoemde nieuwe tijd al begon.
undefined
In de allereerste minuten van onze demonstratie, op het Centraal Station, werden we al hartelijk benaderd door een politie-agent en gevraagd wie de organisator was. De weken erna zouden we nog letterlijk duizenden keren deze zelfde vraag beantwoorden met dat iedereen een deelnemer en dus een mede-organisator was.
In goed overleg met de dienders en indirect met de burgemeester, toen nog Thom de Graaf, streken we neer op het voorste veld van het Valkhofpark.
“Ha!” klonk een kritische stem richting ons demonstranten. “Je sluit zo al meteen een pact met de 1% waar je juist tegen strijdt!”
“Wij zijn de 99%” was één van onze vanaf Wall Street overgewaaide leuzen, voortkomend uit de bewering dat 1% van de wereldbevolking bij elkaar opgeteld evenveel geld bezit als de andere 99% van de mensen samen. Feitelijk mocht dit misschien niet kloppen, het gaf duidelijk het wel degelijk bestaande, onmenselijke  verschil in welvaart weer. Of  ‘duidelijk’; de kritische stem die richting Occupy Nijmegen schalde, schoor oom agent en burgervader blijkbaar over de zelfde kam als die ene procent. Alsof zij evenveel verdienden.
Toch was dit in zekere zin terecht: Politiek die meet met de maat van het bruto binnenlands product, dient daarmee in de eerste plaats het geld en niet planeet en medemens. Menig ambtenaar mocht dan stukken minder zogenoemde bezittingen hebben dan die ‘1%’, alleen al door deel te nemen aan deze economie -gerichte politiek, hield je die in stand, hielp je die. Een verandering, een kentering hierin was inderdaad één van de beweeg-redenen van Occupy.
Wanneer hoorde je bij die ene procent?
Wanneer bij de negenennegentig?
Waren het de centen of was het de mens?
Wie waren er van Occupy Nijmegen?
En wie droeg er zogenaamd alleen aan bij?
Bestond er een zij en een vastomlijnd wij?
Was er een pot en was er een ketel?
Wie had dan wie de ander zwartzien verweten?
undefined
Noot van en aan ondergetekende, vanuit het schrijvend heden: “Wat doet je schrijven in de verleden tijd en is wat je schrijft niet in te sombere tonen?”

Zouden er ‘hoogtijdagen’ van Occupy Nijmegen zijn, dan waren deze gevoed en vervuld van dat ene woord, dat ik in ‘Een Occupy Nijmegen column‘ bewust enkel omschreef, maar niet letterlijk gebruikte: Liefde. Liefde zoals bijvoorbeeld in het samen muziek maken: Iedere muzikant draagt vanuit haar of zijn kwaliteiten bij aan het totaalgeluid en arrangement.
Zo was er een veelkleurig geheel aan af- en aankomende en minder of meer permanent in tenten overnachtende mensen, die Occupy Nijmegen maakten tot wat het was -en zij het zonder de tenten nog altijd is.

De mineur die mogelijk in mijn woorden doorklinkt, kent verschillende bronnen. Eén daarvan is de bedroefdheid om het uiteenvallen van wat soms wel op een nieuw dorpje bovenop de stad Nijmegen leek, zoals dat opkomend groen tussen de straatstenen. Zo vele verschillende mensen, alleen al in deze stad, die zichtbaar en voelbaar aan dat zelfde loflied werkten, dat we gaande de weg vol passie componeerden, als een geïnspireerde jamsessie waarin ogenschijnlijk alles vanzelf samenviel.
“C’est le ton qui fait la musique.”

Wat was een optreden zonder toeschouwers?
Wie stonden erbij en wie keken ernaar?

In vroeger tijden was er de stadsbode. Misschien was dat wel altijd een hij. Daarom; hij werd gezonden door de toenmalige heersers, met berichten bestemd voor het volk, maar van de hand van hun meester. Door deze, meestal ook een hij, werden zowel de gang van alledag als het wereldbeeld van de burger ingekleurd. Tezamen welteverstaan met een zogezegd door ‘daarboven’ aangewezen leider over ‘s mensen spirituele (be)leven, ik noem een paus, een imam, een rabbijn.
“Er is in die tijd veel bereikt,” verzucht-zingt Harrie Jekkers van het Klein Orkest in hun jaren tachtig-hit ‘Over de muur‘ met ironie. Want van kleitablet naar tablet wordt ons hedendaags nieuws nog steeds minder of meer bepaald door, wanneer uit hun pot betaald, onze politieke, spirituele ofwel commerciële leiders.
Na de eerste weken te hebben gezien hoe de afhankelijke media Occupy Nijmegen in hun berichtgevingen neerzetten, waren we wat voorzichtiger naar hun afgezanten geworden. Het bracht ook een verandering teweeg op ons terrein, in die zin dat er een hap spontaniteit van afgesnoept was. Wie kon er vierentwintig uren per dag, en dit weken lang, demonstreren? Hoe bewaarde je je rust en geduld, wanneer je die niet af en toe voor jezelf kon nemen? Goed, als individu kon je je terugtrekken in je eigen tent, als je tenminste overnachtte op het Valkhof. Maar als groep, als occupiers onder elkaar, waar konden we even zonder vragen van bijvoorbeeld de media, ons opladen, onze hoofden -voorzover dat al zou gaan- leegmaken? We wezen er de bedoeinentent voor aan en erkenden hiermee het bestaan van een wij en een zij: Wij, degenen die deelnamen aan Occupy en zij, de geïnteresseerden in de beweging.

Wie hadden zichzelf tot muzikanten verklaard en wie was hun kritisch en/of enthousiast publiek?

“Wie jamt er mee?” schalde het vanaf een podium.
En achter zijn vaasje tapte een man met zijn hand op de bar op de maat zijn eigen ritme.
Foto van de circustent, genomen op 25 december, net na het
afbreken van mijn tent, de kale plek rechts vooraan.
Tegen de ‘Geen mens is illegaal’-boom mijn tassen.
Ondanks dat menig Occupy Nijmegenaar steeds vaker de leus ‘We are the 100%’ was gaan hanteren, groeide de invloed van die ergens ontstane wij/zij-gedachte. Begon dit met een scheidslijn tussen de afhankelijke  media en ‘ons’, nadat we de tenten naar het grote middenveld van het Valkhof hadden verhuisd, ontstonden er onder andere een ‘voedselprobleem’ en ‘interne conflicten’, zoals de al eerder genoemde doodsbedreigingen, waar ook andere occupiers mee geconfronteerd waren.
Ons eten werd ons voornamelijk geschonken door mensen en instanties uit- of uit de omgeving van Nijmegen. Koken mochten we regelmatig in een van de keukens van activiteitencentrum de Lindenberg, dat naast het Valkhofpark is gevestigd. Dat wil zeggen: niet elke occupier mocht van de bedrijfsleiding binnen. Of de oorzaak in die gevallen bij de geweerde persoon of bij de Lindenberg lag, was misschien niet eens relevant. Feit was dat zo binnen Occupy Nijmegen sub-groepen gecreëerd werden, bijvoorbeeld zij die wel en zij die niet voor het koken ingezet konden worden. Met daar bovenop het gemeentelijk bepaalde verbod op open vuur voor ons occupiers, ontstond er een merkwaardige variant van een voedselprobleem. Tot overmaat van ramp bleek de vrije toegankelijkheid van onze ‘keuken’ voor verschillende lieden een reden om dat wat voor ons allen bestemd was, zichzelf toe te eigenen. Zo verdwenen binnen tien minuten zes literpakken vruchtenyoghurt, of op een andere dag was een pas gekocht kilo-blok kaas de dag erop weg. En door het terugvinden van onze gebroken vuurtoren-spaarpot, waaruit honderdvijfendertig geschonken euro’s misten, werden we nog voorzichtiger met het aannemen van giften.
De ‘nemer’ van het geld hadden we tijdens één van de vergaderingen daarop vergeven, al dan niet in diens aanwezigheid. Sindsdien vroegen we onze supporters om voedsel en materieel in plaats van het geld dat ze ons wilden geven.
Het voorgaande samen met de conflicten die (ik wil bijna schrijven ‘natúúrlijk’, bij zulk soort manifestaties) af en toe de kop opstaken, deed ons beslissen van de circustent een ‘huiskamer’ te maken. Gasten werden voortaan tot middernacht toegestaan en altijd onder aanwezig- èn verantwoordelijkheid van een gastvrouw of -heer, wat iemand was waar een aanwezige meerderheid van vond dat deze een ‘occupier’ was.
Dit besluit werd  ‘met een meerderheid aangenomen’, na er in verschillende van de dagelijkse General Assemblies (algemene vergaderingen) over gesproken te hebben.
Hoofdreden: Overleven. Zelfbehoud, zo u wenst.
Even ‘natuurlijk’ was de reactie hierop. Zowel van buiten af als van binnen uit. Want wat was je voor een beweging als je opkwam voor de 100% en dan toch enkelingen buitensloot? En hoe voelde de tot dan toe gedreven mede-demonstrant(e) zich nu, die tegen dit idee stemde, dat nu wel regel geworden was?
De regel bracht allerminst rust in de tent. Daarvoor was hij misschien ook wel te zeer in strijd met de grondgedachte van Occupy: zaten we tenslotte niet allemaal in het zelfde schuitje?
Tegelijkertijd wakkerde de kritiek vanuit de media en (daarop) ook de stad aan. Wie was dat stelletje daklozen, hippies en uitkerings-trekkers? Kon dat niet beter een huis, gezond verstand en werk gaan zoeken? Wat droeg een tiental mediterende mensen in een bankkantoor nu bij aan de noodzakelijke veranderingen in de samenleving? Wat stelde het wereldwijde Occupy-netwerk al met al eigenlijk voor?
Schrijnend vond (en vind) ik het om te lezen en horen dat mensen vanuit hun zogenaamd veilige huis of kantoor occupiers uitmaakten voor dak- en werkelozen, verslaafden en tuig. Er is wel vaker een medemens tot gevaar van de samenleving bestempeld en aan het kruis genageld, bij de wens van die zelfde mensen.
Was het vreemd dat juist de slachtoffers van ons hele financiële systeem zich het eerst en het meest aansloten bij Occupy? Voelden anderen zich te goed, in elk geval beter dan dat armoeierige gajes?
Wat hadden we ook verwacht? Dat de voornamelijk linkse gemeenteraadslieden Occupy Nijmegen met open armen ontvingen, zeggend: “Zaag gerust aan de poten onder onze stoelen”? Verwachtten we dat de media, van hun adv€rt€€rd€r$ of regeerders afhankelijk, een objectief beeld van de beweging zouden geven? Waar een verandering te beginnen als er zó veel op dit zelfde moment om zorg en aandacht vroeg? En welke verandering zou een verbetering zijn?
Hendrick, een paar anderen en ik hadden de laatste restanten van Occupy Nijmegen verzameld en door de Dar meegenomen zien worden. Gelijk gieren wisten enkele media ons die dag ineens weer te vinden en schreven breeduit over hoeveel ton aan afval wij demonstranten hadden achtergelaten. Ton voor ton geschonken door de stad.
Dat waren exact drie maanden Occupy Nijmegen op het Valkhof. Na die eerste kerstdag bleek wat al wankel geworden was uiteen te vallen, mede onder invloed van burgemeester De Graaf, die eerder nog in media pronkte met de belofte ons niet weg te zullen sturen, maar die in het nieuwe jaar opeens een politieke draai in zijn houding maakte. Op 17 januari moesten we van het Valkhof af zijn, zo stond in een brief van de politie aan ‘ons’ (ja, aan wie nu?) geschreven.
undefined
Sindsdien is Occupy Nijmegen letterlijk de mensen die zich Occupy Nijmegen noemen. Al heette het voor 17 oktober 2011 nog niet zo, het was (iets in) onze natuur, dat ons onze harten in dit project deed stoppen, iets dat ons voor die tijd al een soort occupier maakte. Precies dat vuur is ook wat in  de meesten van ons niet is gedoofd, na beëindiging van het tenten-tijdperk. Wat we bijgedragen hebben? Wiens ogen we geopend hebben? Misschien alleen de onze? En is dat niet genoeg? Wie is tenslotte ‘ons’?
“Ben de verandering die je wil zien in de wereld” zou je kunnen samenvatten in “Occupy yourself”. Dat is geen conclusie, maar een begin. Als mede-Occupy Nijmegenaar ben ik dankbaar voor de rijkdom aan ervaringen en inzichten die onze bewogen periode op het Valkhof ons gegeven heeft. Deze ervaringen schenken ons alle middelen voor het maken van opnieuw een nieuw begin, zoals *dit* er alweer een perfect moment voor zou zijn..!

pepé: lettermenger.

Bron: http://datpad.blogspot.com/2012/04/occupy-nijmegen-een-introspectie.html